Return to
  Profiles





Walter Crommelin

Dates: 1948

In ‘Nederlands Patriciaat’ ed. 1997 staat op p. 93 vermeld Walter Crommelin, acteur. Dat ben ik. Alles klopt nog, behalve de woonplaats: sinds 2000 wonen Sannah, Yoena en ik in Haarlem. Op p. 92 staan mijn grootouders, aan wie ik voor een beter begrip even aandacht wil besteden. Zij hebben namelijk postuum enige invloed uitgeoefend.

Grootvader Armand, 8 jaar voor mijn geboorte overleden, is op de overgebleven foto’s een knappe, elegante man, altijd in welvarende situaties – grote landhuizen, jachtpartijen, mooi opgetaste eettafels. Behept met een voorkeur voor Duitse vrouwen, van wie mijn grootmoeder Elisabeth, concertpianiste, de tweede maar niet de laatste was (mijn tante Lore, dochter uit zijn eerste huwelijk, trof hem ooit tijdens de Bayreuther Festspiele aan in een der foyers met “op elke knie minstens één zangeres”), was hij ook een man van cultuur, een hartstochtelijke boekenman en goed bevriend met Siegfried Wagner, zoon van de grote Richard. Als fervent Wagneriaan schreef hij artikelen voor de festivalgids en heeft hij op ‘Wahnfried’ zelfs de half-blinde Cosima (Wagners weduwe en de dochter van Liszt) nog voorgelezen! Dit alles sprak natuurlijk tot mijn verbeelding.

Maar de keerzijde ontbrak niet.
Enig kind en groot gebracht met de idee dat hij als Crommelin geen geld hoefde te verdienen omdat dat er toch wel was, heeft hij zich, royaal rentenierend, niet aan de veranderende omstandigheden van de 20e eeuw kunnen aanpassen. Toen het gezin in de jaren dertig in Davos woonde, waar mijn grootmoeder, op ‘de Toverberg’ van Thomas Mann, genezing zocht voor haar tbc, barstte de bom: in 1937 ging Armand failliet. Het gezin viel uiteen en mijn vader heeft er een levenslang geldcomplex aan overgehouden, dat hij, zij het wellicht iets afgezwakt, met succes op mij heeft overgedragen.

De andere invloed kwam van mijn grootmoeder Elisabeth. Van haar (zij overleed toen ik 6 was) heb ik een evidente piano-aanleg geërfd. Terwijl ik het spelen weliswaar heel aardig, maar niet echt buitengewoon leuk vond, liet een ambitieuze pianoleraar me vanaf mijn achtste op zijn leerlingenuitvoeringen in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw optreden, wat ik evenmin buitengewoon leuk, maar wel spannend vond. Na mijn gymnasium (alfa) twijfelend tussen het Recht en de Kunst, ben ik dan toch naar Amsterdam gegaan om pianist te worden. Soms denk ik wel eens – zinloze gedachte natuurlijk - dat ik rechter had moeten worden of historicus, doen wat ik écht interessant vind, maar dan zou ik veel gemist hebben wat ik niet had willen missen, o.a. mijn huidige beroep. Na het conservatorium in Amsterdam ging ik naar eenzelfde instelling in Genève, waar ik in de classe de la virtuosité werd onderricht door de interessante pedagoog Louis Hiltbrand, bij het publiek onbekend, maar door pianisten vanuit de hele wereld geraadpleegd. Mijn twijfelachtige verhouding tot de piano bracht mij daar tot de keuze: als ik prijzen win ga ik door, zo niet, dan houd ik ermee op. Ik slaagde in Genève, in 1975, met een Premier Prix avec distinction, o.a. met het derde Bartok-concert, de Prélude, choral et fugue van Franck en de Toccata van Prokofieff. Omdat ik het hoogste aantal punten had gekregen, ontving ik ook nog een geldprijs(je). Conclusie: doorgaan.

Ondertussen had ik in Amsterdam een boeiende vriendin opgedaan, met wie ik toen ook getrouwd ben. Van de gebruikelijke deelname aan concoursen kwam het niet. Zoals hierboven al aangegeven, was ik niet bezeten genoeg - was au fond van mening dat ik als pianist geen bestaansrecht had, als ik niet even goed was als de geniale Rachmaninoff, van wie ik alle opnames bezat - maar wel gaf ik regelmatig en met een zeker plezier huisconcerten-met-toelichting en, ook met een zeker plezier, les aan dames en heren die er zin in hadden (onder wie Pieter van Vollenhoven).

Binnen te korte tijd moest er alweer gescheiden worden, een geweldig moment om het roer, voor zover nog aanwezig, om te gooien. Dat was de wending naar mijn huidige beroep. Ik moest mijn emotie omzetten in energie! Ik moest me manifesteren! Met een relativerende kijk op het leven, belangstelling voor de mens, liefde voor taal, was ik altijd al wel geïnteresseerd geweest in het toneel, nu ging ik – eindelijk - op een club.

Daar bleek de eerste kreet een kreet van bevrijding. Op mijn huisconcerten was al gebleken dat ik effect op publiek had, zodat ik vervolgens een professionele overstap aandurfde. Het geluk kwam me daarbij te hulp: in ‘79 bracht een vriendin mij in aanraking met kunstenaar en TV-maker Wim (T.) Schippers, toen een omstreden modernist, nu een coryfee in de Nederlandse 20e-eeuwse cultuurgeschiedenis. Hij liet me op de opening van het Holland Festival in Carré een merkwaardige redevoering uitspreken, waarmee ik opviel; de pers bestempelde mij als een ‘waardige opvolger’ van de populaire Sjef van Oekel. Een dubieus compliment, vond ik, maar ik was wel blij met de belangstelling. De jaren daarna trad ik weliswaar op in Schippers’ tv-series, maar om te voorkomen dat ik, gelijk Dolf Brouwers (Oekel), zou blijven steken in een karikatuur van mezelf, heb ik ook het Toneel opgezocht: les genomen van (‘Sir’) Ton Lutz en vervolgens vele toneelrollen, ook klassieke, gespeeld bij verschillende gezelschappen. De combinatie toneel/muziek kwam in het succesvolle ‘Masterclass’, over Stalin en de componisten Prokofieff en Sjostakovitsj goed tot zijn recht.

De freelance acteur moet van alle markten thuis zijn: toneel, film, TV, radio, reclame, presentatie. Als slechte slaper heb ik het toneel inmiddels moeten afschaffen. Nu leg ik me toe op TV (‘Het Huis Anubis’) en reclame (o.a. de stem van ABN Amro, de Sinterklaas van Albert Heijn). Aangezien je in deze onzekere branche onmogelijk een solide pensioen kunt opbouwen en het familiefortuin reeds is besteed, ben ik veroordeeld tot doorwerken, wat ik als middel tegen verouderen opvat. Gelukkig word ik gesteund door mijn energieke gade Sannah en geïnspireerd door onze formidabele dochter Yoena, voluit Feyoena (genoemd naar ‘Een vergeten dichteres uit de 18e eeuw’, Clara Feyoena van Sytzama, een voorzaat van mijn overgrootmoeder - N.P. p. 91), die nu 12 is en naar tevredenheid op het gym zit. Sannah is eigenlijk slaviste, wat ons een tijdelijk verblijf in Moskou en meerdere mooie reizen naar Rusland en Oekraïne heeft gebracht, maar in het dagelijks leven de assistent van de hoofdcommissaris van politie van Kennemerland.

Bij mijn geboorte in 1948 was de medische wetenschap juist ver genoeg gevorderd om mij in leven te houden, maar heeft zij vervolgens niet kunnen verhinderen dat ik bezocht werd door het bekende koppel astma & eczeem. Dat heeft mijn eerste 20 levensjaren min of meer verpest, maar ik ben er wel een lezer van geworden, iets wat mij nog steeds een bijzonder geluk verschaft.

Mijn brave ouders zijn nog onderbelicht gebleven. Mijn vader, een plichtsgetrouw en volstrekt integer man, is 6 april 2007 overleden, net als zijn vader op Goede Vrijdag. Hij en mijn moeder hebben mijn bokkensprongen geduld en zelfs mogelijk gemaakt. Hiervoor ben ik hun dank verschuldigd. Ook mijn liefde voor lekker eten – volgens G.B. Shaw de oprechtste van alle liefdes – is door hen in cultuur gebracht.

Haarlem, maart 2009