Candles

Vlam eerst gheweken, haest weer ontsteken.

De vlam was eens gebluscht die in my plach te woelen,
Ick voelde, met vermaec, mijn eersten brant vercoelen,
Al watter over bleef was maer een cleyne vonck,
Soo dat mijn welich hert van enckel vreuchde spronck:
't Gheviel eer langhen tijt dat ick het vier ghenaecte,
My dacht, ten was gheen noot, soo icket niet en raecte;
Dus stont ick maer en keeck, en noch eer ick vertrac,
Een vlam viel uyt de vlam die mijnen rooc ontstac.

Eens ghebrant, haest ghevlamt.

Hoe licht ontsteect een licht dat eens te voren brande,
Die eens is licht geweest raect licht in nieuwe schande;
Een doove kool ontvonct als sy maer vier en rijct,
De tintel wort tot vier door al dat vier ghelijckt.
Hoe licht vervalt de mensch tot alle quade streken
Die van een slim ghebreck eerst onlancx is gheweken!
Een die sich waghen derf, eer dat hy recht ghenas,
Gheraeckt licht in het vuyl, daer hy te voren was.

ESAI. 42. 3.
De glimmende wiecke en sal hy niet uytblusschen.

De ziel heeft menichmael haer eerste licht verloren,
Sy leyt als sonder glans, en niet ghelijc te voren,
'Tis maer een damp alleen, die als een teycken gheeft
Dat noch in eenich deel haer eerste wesen leeft;
Maer als wy 'thelder licht van Godes woort genaken
Soo wort de rooc een vlam, de geest begint te waken;
Hoe groot is dijne gunst ontrent de menschen, Heer,
De wieck die maer en rooct en blustje nimmermeer.