The Dog That Hunts Ducks
Tusschen hant en tant,
raect veel te schand.De proye die ick jaegh heeft wonder vreemde streken, 6 7 8
Heeft, ick en weet niet wat, om lusten aen te steken; 9
Sy sweeft my voor het oogh, ja schier tot inden mont,
Maer als ick naerder coom so wijctse na den gront:
Dies word' ick bijster graegh, ick reyck, ick blaes, ick hijge, 10 11
Ick happ', ic grijper na, het schijnt dat icse crijge; 12
En siet! noch gliptse wech, dies 'thert eylaes! my berst,
Doen ic was aldernaest, doen was ic alderverst.Ydele hoop, wakenden droom. Het wilt-braet dat ic wensch, dat jaegh ic met verlangen,
My dunct schier even staeg, my dunct het is gevangen,
Ick sie het met vermaeck, ic sie het voor my staen,
Ick hygh', ick happ', ic hoop, ic hebbet; 'tis gedaen:
Dit roep ic menigmael, maer als ic meen te grijpen,
Dan isset enckel droom, en niet als leure-pijpen:
Eylaes! ic heb om niet mijn nutten tijt gequist,
Ick meynd' ic haddet al, en nu ist al gemist.ROM. 7. 24.
Ick ellendich mensche! wie sal my verlossen van dit lichaem des doots? Ick dancke God door Iesum Christum.
Ick lach eens uytgestrect in bangheyt mijner zielen,
Ick sach een open graf, de doot was op mijn hielen,
De helle stont bereyt, als met een open mont,
So dat ick (waer ic socht) geen raet of rust en vont.
Maer inden meesten noot doen is my troost verschenen,
Mijn druck (danck hebbe God) mijn commer is verdwenen;
Siet! als het diepste leet tot aen de ziele rijst,
Dat even is de wegh die ons den hemel wijst.