Streams of Living Water
Alle aensprekers, gheen herte-brekers. Ghy rijt geduerich uyt, ghy zijt in alle feesten,
Ghy komt, o Rosemont, by alle blijde geesten,
En desen onverlet soo blijfje datje waert,
En houdt den eersten stant van uwen koelen aert.
Nu isset immers waer (het schenen eertijts droomen)
Dat midden inde zee zijn even soete stroomen,
En blijven onvermenght. Siet wat een vreemt verstant!
Ghy blijft als killich ys te midden in den brant.Elck sijn goetjen. Men vont in ouden tijt, en even noch, revieren
Die midden in de zee en door de baren swieren
Doch schoon haer soete stroom tot in het soute schiet
Sy vloeyen nevens een doch efter menghen niet.
Siet dus hout nu het volck (men moetet houwen noemen
Want yder houdt sijn goet) wie kan van liefde roemen
Daer yemant schoon hy trout sijn goet bewaert alleen
'tFy van bysonder goet als 'tlichaem is ghemeen.Die in de stroom van wellust swemt,
Al is sijn gheest al wat ghetemt,
Of schoon hy op zijn saken let,
Wert van eens anders vuyl besmet.1. CORINTH. 7. 31.
De werelt ghebruyckende, als niet ghebruyckende.
Siet hier een versche beeck die met de soute baren
Can spelen in het diep, oock sonder eens te paren;
Siet! hoe het water raest, sy blijft al even soet,
Sy houdt haer eersten aert te midden inden vloet.
Het is een groote deught met alle man te leven,
En aen het los ghewoel sijn herte niet te gheven;
O die de werelt schiept, en schiept oock even my,
Gheeft dat in dese ziel de werelt niet en zy.