The Lamprey*

Oock brant in zee.

Wat seyltmen over zee in alle vreemde landen?
Het vier, het minne-vier can in het water branden:
De groote zee-lamprey en houdt geen vaste ree
En lijt noch echter brant te midden in de zee.
Waer sal een vrijer heen? waer sal een minnaer varen?
Hoe? is niet Venus selfs ghesproten uyt de baren?
Besiet het gantsche diep, het krielt van haren brandt,
De zee heeft oock haer vier; 'tis Venus vaderlandt.

* Desen visch wort int Latijn Murena ghenaemt, ende wort ghevonden ontrent Sicilien, de welcke, te lange boven water met den rugghe swemmende, wert door de hitte der Sonne so gedrooght, datse niet weder onder het water kan neder sincken.

Liefde is luy.

Hoe dus weet-gierich hert! uw' eertijts lieve boecken
Zijn nu verrot, vermot, en in het stof te soecken.
Ghy waert, na mijn onthoudt, wel eer een dapper man,
Nu sitje maer en dut: wat isser oorsaeck van?
Ha 'ksie nu watter schort: Murena gingh doorgronden,
De diepten vander zee, nu leyt hy vast gebonden
Getroffen vande son. Wien liefdes fackel brant
Die leyt van stonden aen de boecken uyter hant.

JOHAN. 8. 12.
Ick ben het licht der werelt, wie my navolcht, die en sal inde duysternisse niet wandelen.

Eens was ick glibber-glat, eens gingh ick liggen schuylen
Of in het schrale sant, of inde modder-kuylen; 31 32 33
Maer, nu des hemels glans my crachtich heeft geraect, 34
Soo ben ick metter daet een ander dier gemaect:
Nu, sweef ick boven stroom, gescheiden vande tochten 35
Die ick voor desen sach by ander zee-gedrochten.
Wie eenmael is verwarmt van Godes heylich vier 36
En wroet niet in het slick gelijck een ander dier.