The Oxe's Party
Voor kleyn ghenucht, groot ghesucht, en langh gheducht. Ghy die voor desen os siet spel, en versche rosen,
Siet oock wat achter volght, en let hoe corte posen
Hoe ras vergaenden vreucht de malle jonckheit heeft,
En wat de quade lust voor harde nepen gheeft.
Siet, vrienden, vuyl bejagh en baet ons niet met alle,
Al is het eerste soet, het eynd is enckel galle;
Ach dat men vreuchde noemt duert maer een corte wijl,
Van voren schijntet spel, van achter is de bijl.In voorspoet siet toe. De gild-os gaet daer heen verciert met rose-cranssen,
Men hoort den trommel slaen, men siet de kinders dansen;
Hy schuym-bect inden wijn, en pruyst van enckel vet,
Maer peyst niet aen de bijl, die op hem is ghewet.
Hoe menich isser trots, en gaet daer moedich proncken,
Die, eer de sonne daelt, in pijne leyt ghesoncken:
Neemt, vrienden, op u selfs, en op u saken acht,
Oock als het soet geluc op u geduerich lacht.Voor kleyn ghenucht, groot ghesucht. Ey siet eens, vrienden, siet, wat macht den gild-os baten
Dat hy een rosen hoet mach dragen achter straten?
Al wort hy schoon gestreelt, 'tis voor een corte wijl,
Eylaes van achter volght de slager met de bijl.
Hoe dom is menich mensch! sy rasen, spelen, woelen,
En van dat comen sal en isser geen gevoelen;
Maer hoort een nutte les voor alle vuyl bejagh,
Peyst staech op uw' vertreck, of aen den jongsten dagh.