Ripe Fruit
Volwassen Appel en rijpe Peer, sijcht licht ter neer. Indienje minnen wilt, en dat met korte swieren,
En stelt u sinnen noyt op al te jonghe dieren;
Te licht, eylaes! te licht, en dickmael op een spronck,
Wort yemant daer gheseyt; mijn dochter is te jonck.
Een rijper dient u best, daer vrijtje veel gheruster,
Doch meest indien u lief nu krijght een vlugghe suster;
Groen freuyt is wonder tay, ten wil niet vanden tack;
Tast naer een rijpe peer, soo pluckje met ghemack.Rijp ooft, haest gherooft.
Wil yemant jonck ghewas van groene boomen trecken,
Soo moet hy tot het werck sijn gantsche leden strecken.
Maer komt hy metter handt ontrent een rijpe peer,
Die scheyt van stonden aen, en sijght in haesten neer.
Dus gaetet met den mensch, wanneer de leste stuypen
Hem pranghen aende ziel, of inde leden kruypen;
De jeught is wonder tay, en worstelt mette doodt,
Maer die veel jaren telt, en houft maer eenen stoot.
Tgaet metten mensch, als mette peer,
De dees is rijp, en sijght ter neer;
De geen, noch groen, dient niet gepluckt,
Wert lijckwel 19 vanden boom gheruckt.
PHILIP. 1. 23.
Ick begheere te verscheyden vanden lichame, ende met Christo te zijn; want dat is verre het beste.
Wanneer den bogartman het fruyt begint te plucken,
En dat hy met ghewelt moet aende tacken rucken,
Dat is een vaste peyl van haren wranghen aert,
Die even inde pluck haer wesen openbaert.
Wanneer de bleecke doot comt trecken aende menschen,
En datse strevigh zijn, en om te leven wenschen.
Dat is van stonden aen, dat is ghenoegh gheseyt,
Dat haer noch wranghe sucht ontrent den boesem leyt.