The Sea Urchin

Draeghje doecken, wacht voor hoecken.

Siet wat een egel doet om sijnen cost te rapen,
Hij wort ghelijck een bol, en blijft so liggen gapen:
Wel aen nu, muysen springt; maer schout het duyster gat,
Want wie het hol genaect die is terstont gevat.
Speelt heus en open spel, want alle sluypers hoecken
Zijn lagen voor de jeught, en plagen voor de doecken:
Men schildert Venus wicht van oude tijden blint
Om datmen sijn bejagh veel in het duyster vint.

Het kleyn verdraghen, om 'tgroot te bejaghen.

De egel wort een kloot, en gaet soo leggen gapen,
Om door een open mont den kost te mogen rapen;
Doch of hy schoon een muys vry dichte by hem siet,
Hy des al niet-te-min en roert sijn leden niet;
Maer komt het weligh dier hem inden mont te dwalen,
Soo moet het metter doot sijn eerste spel betalen:
Een die bedriegen wilt verdraeght ten eersten wat,
Tot hy eens sijn bejagh met vollen monde vat.

1. PET. 5. 8.
Weest nuchteren, waeckt; want de Duyvel gaet om u soeckende wie hy verslinde.

De egel kent den muys en sijn ghemeene ganghen
En weet daerom het dier ooc met ghemack te vangen;
Hy toont den muys een hol en tis zijn grage muyl
En siet in korten tijdt het dier is inden kuyl.
De vyand vande mensch heeft even dese vonden,
Hy kent ons inder aert, hy weet ons lieve sonden;
En die nae vrouwen helt, die worter door bekoort:
En wie den wint bemint, die worter in ghesmoort.